Sociale Status



Rond 1600 zien we een verspreiding van de familie Homan vanuit Vries en een sterke uitbreiding van het bezit. Zeer waarschijnlijk is de uitbreiding van het bezit en de geografische verspreiding van de familie Homan mede te danken aan het sluiten van goede huwelijken. Zo zien we diverse afsplitsingen van de familie Homan in het kerspel Vries door huwelijken met dochters van grotere boeren uit de dorpen in de omgeving.

De verbetering van de sociale positie van de familie Homan door het sluiten van goede huwelijken kan geïllustreerd worden aan de hand van enkele voorbeelden uit Vries, Eext en Peize die hierna gegeven worden.

Homan te Vries


Nageslacht van Harm Homan




Hendrik Homan (VIIIh) trekt vanuit Yde naar Vries. Zijn huwelijk met de weduwe van Johan Kiers ten Berge is hoogst waarschijnlijk de reden voor zijn vertrek naar Vries. Zijn zoon Jannes Homan blijft ongehuwd, zijn andere zoon Harm Homan (IXk) trouwt met Gesina Linthorst de dochter van de schulte Jan Egberts Linthorst en Ellegonda Allershof. Voor een uitgebreidere beschrijving van deze familie zie ook “Geschiedenis van Vries”.1

Het bezit van deze tak van de familie Homan is aanzienlijk. Harm Homan trouwt met de dochter van Jan Egberts Linthorst en Ellegonda Allershof. Hij heeft mogelijk delen van het Allershof bezit te Vries gekocht. In 1646 bezit Allard Allershof de grootste boerderij in het dorp Vries, 56 voeten lang en 28 wijd, het voorhuis 29 voeten wijd en 5 gebinten lang. Een Drentse voet is 0,29 meter, een gebint is 9 voet. Het haardstedenregister van Vries in 1750 geeft aan, dat familie Homan moet betalen "old, het quotient van de scholts Allershoff van 't huis , van het veehuis en van de peerdestal en turfschuur 224 gulden”.

De kinderen van Harm Homan (IXk) zoeken goede huwelijkspartners. De zoon Lucas Homan trouwt met een dochter van de familie Homan te Eext, Lammigje Homan. De zoon Engelbert Homan wordt wijnkoper in Amsterdam en heeft geen nageslacht. Hij verwerft echter wel een aanzienlijk bezit. Zie hiervoor het volgende artikel aan het eind van dit hoofdstuk, geheel overgenomen uit de originele bron.

Johannes Homan zoon van Harm Homan en Gesina Linthorst trouwt met Anna Hidding, dochter van Lucas Hidding en Geesje Huising. Zij is een erfdochter van de aanzienlijke Hidding familie uit Rolde, alhoewel ze zelf uit Wachtum afkomstig is. Door het huwelijk met een Hidding dochter vergroot vooral Johannes Homan zijn bezit verder. Bij de deling van de goederen van het echtpaar, die gebeurde via een "scheit zedulle".2 In 1756 kregen hun kinderen aan vaste goederen te verdelen:3

Alhoewel er zeven kinderen van Johannes Homan volwassen worden en de erfenis dus over zeven kinderen verdeeld moest worden, was er genoeg om te verdelen.

Vooral deze tak van de familie Homan klimt gestaag op de sociale ladder. Zijn Hendrik Homan, Harm Homan en Johannes Homan zelf “slechts” ette, en Harm ook nog schatbeurder, zien we, waarschijnlijk mede door de goede huwelijken met Linthorst en Hidding, de kinderen van Johannes Homan als ette (Jan ten Berge Homan) en schulte (zowel Lucas Homan als Johannes Homan). Ook de dochters van Johannes Homan zoeken goede huwelijkspartners. Gezina Homan trouwt met Jan Tabing, Margrieta Homan met de bode Johannes ten Oever, en Ellegonda Homan met de predikant Durandus Dijk.

De kleinkinderen van Johannes Homan zoeken zomogelijk nog betere huwelijkspartners, zoals de Johannes Linthorst Homan die met Trijntje Emmen van Eexta trouwt, Jan Tijmen Homan die met Wilmina Aleida Nijsingh trouwt, en Anthony Homan die met Trina Elisabeth Tonckens trouwt, beiden dochters uit de rijkere Drentse families.

In het verdere nageslacht van Johannes Homan vinden we een reeks aan bestuurlijke beroepen, zoals schulte, maire, notaris, wethouder, Commissaris van de Koningin, etc.


Een Drentse wijnkoper in 18e eeuws Amsterdam4


In het Rijksarchief te Assen bevindt zich in het archief Overcinge een register (nr. 61). bijgehouden door Engelbert Homan (1682 - 1748), diens neef mr. Johannes Homan en de zoon van de laatste, mr. Johannes Linthorst Homan, bestrijkende in totaal de jaren 1703 - 1804. Het leek mij interessant om eens wat dieper op dit stuk in te gaan, omdat het een beeld geeft van een Drentse koopman in het achttiende eeuwse Amsterdam. Engelbert (hij schrijft zelf ook vaak Engelbart) Homan werd geboren in Vries en wel op 2 september 1682 als zoon van Harmen Homan en Gesina Linthorst, dochter van schout Jan Egberts, en zuster van schout Engelbert Linthorst. Omdat het voor het verdere verhaal noodzakelijk is noem ik direkt maar zijn broers: Hendrikus (1674 - 1736), Johannes (1678 - 1735). Frederik (1680 - 1707), Lucas (1684 - l778). Jan ten Berge (1 688 - 1703). Johannes, Lucas en Hendricus bleven in Vries, doch Engelbert vertrok naar Amsterdam. Wanneer is niet bekend, maar in 1717, op 35-jarige leeftijd begint hij een register, waarin hij (een deel van) z'n zakelijke transakties en gebeurtenissen uit de familie vastlegde. Interessant? Naar mijn mening zeker. Engelbert voorzag in zijn onderhoud als wijnkoper. Een vreemd beroep voor een Drentse boerenzoon uit Vries. De oorzaak moeten we mijns inziens zoeken bij de familie van Engelberts moeder, de Linthorsten. Deze woonden in Amsterdam en Den Haag, waar ze tot de middenstand behoorden. Naast bovenstaande Engelbert Linthorst zijn dat: Bonnema Linthorst (een Leidse schipper te Amsterdam) en Harmannus Linthorst wijnkoper in Den Haag. Is het gewaagd te veronderstellen dat Engelbert door oom Harmannus opgeleid is tot wijnkoper? Hendrikus Linthorst was ontvanger van Willemstad. (Even een zijlijntje: de dochter van Harmannus Linthorst en Joanna van Duyvelant - Ellegonda Theodora trouwde op 17 mei 1716 met de baljuw van Wassenaar Johan van Ghijbeland. Zij waren het die op 12 juli 1763 de (nu nog daar staande) fraaie kerkbank met hun beider wapens in de kerk van Vries lieten plaatsen en deze kado gaven aan de familie Homan (samen met een legaat van f 5.000,- een formidabel bedrag). Hun beider portretten, geschilderd door Fr. v. Mieris de Jonge, ziet u hierbij.


Goed, en nu het register. Om te beginnen de zakelijke aantekeningen. Wat valt daar voor bijzonders uit te halen? In de eerste plaats krijgen we een goed inzicht in de (zo u wilt) welstand van de wijnkoper Homan (die in 1710 trouwde met Alida Romundt, gedoopt 29-1-690 te Amsterdam, overleden 9 juni 1724 in Amsterdam, dochter van een uit Kleef afkomstige kollega van Engelbert, Hendrik Romundt en van Flora van Dijck). Hij had een huis in de Nieuwe Leliestraat in Amsterdam (waar de jonge waterhond uithangt, schrijft hij). Hij woonde echter in de Berenstraat, een straat tussen Keizers- en Prinsengracht. Dat huis werd gehuurd van ene Abraham Lüls. terwijl de beide andere huizen werden verhuurd. Een huis achter het eerste in de Tweede Leliestraat (waar Flora uithangt - het huis van z'n schoonvader?) tesamen waard f 4.000,--. Verder had hij een half huis op de Anjeliersgracht (waar de Hekman uithangt). Dit werd echter in 1729 van de hand gedaan. Zijn onroerend goed in Yde werd in 1717 gedeeltelijk verkocht aan z'n broer Johannes voor f 3.500.--. In het jaar van z'n dood, 1748, schrijft hij zijn bezit nog eens op en het is wel leuk dit eens te lezen dacht ik. Hier volgt dan Engelberts have en goed in Drenthe: een boerderij te Yde 1/8 deel van een plaats te Donderen 1/6 deel van een plaats in Tynaarlo (hij schrijft Tynarel, nóg de huidige uitspraak). Aan effekten en schuldbekentenissen in Drenthe In Amsterdam: Het huis + achterhuis in de Nieuwe Leliestraat aan effecten en schuldbekentenissen 1) aan juwelen en ongemunt zilver aan schilderijen porcelein handelsvoorraad wijnen gereedschap etc. een graf in de Nieuwe Kerk no. 5 contant geld Schulden te betalen Was dat veel in die dagen? Nee, maar ook niet weinig als we het volgende zien: (Feenstra, Ommelander adel, blz. 159) de borg Menkema in Uithuizen + 12 grazen land en de beklemming van 27 grazen was in 1798 f 25.000,- waard en de borg Hankema te Zuidhorn in 1750 met 81 grazen land f 20.000,- (blz. 189 Feenstra). Engelbert was een tamelijk bemiddelde middenstander zo te oordelen. want veel schulden zien we niet. Na zijn dood werd z'n nalatenschap verdeeld onder zijn erfgenamen, zijnde neven en nichten Homan, te weten Gesina (dochter van broer Lucas), Harmen en Frederik (Lucas's zonen) en Ellegonda, Harmen Jan en Johannes, kinderen van broer ,,Ette” Johannes. Bij dit alles erven nicht Margaretha (getrouwd met ten Oever) en neef Jan ten Berge expliciet niet mee. Wel de zoon L. Tabing van Gezina, de dochter van Johannes, neef en nicht worden met name genoemd en wel zo, dat ze niet mogen erven, en er wordt van de andere erfgenamen gevraagd ervoor te zorgen, dat ze ook niet zijdelings delen in de erfenis. Waarom? 't Staat er niet bij, maar beiden waren “beneden hun stand getrouwd”, en Jan ter Berge had bovendien nog een voorzoon, waarvan de moeder onbekend is, en de doop ook niet te vinden is. Misschien reden voor oom Engelbert om deze maatregelen te nemen. (Overigens, beiden erfden wel normaal mee in de erfenis van moeder Anna Hidding en vader Johannes, zij het dat Jan ten Berge als oudste zoon niet het ouderlijk goed in Vries kreeg, maar naar Eldersloo verdween). Bij de boedelscheiding blijkt er een forse waarde te zijn: f 30064-13-8, meer dus dan in 't register is aangegeven. Met name de huizen en inboedel zijn hoger opgenomen. Waarvan de diaconie in Vries f . 2.000.- kreeg, dienstmaagd Anna Klanken f. 1.000,- + f . 150,- voor rouwkleding en ”goede vriendin" Wilhelmina Volkers ook f. 1.000, - en Lambert Tabing, zoon van nicht Gesina en J.W. Tabing ook f. 1.000,-. Ter vergelijking: Johannes Homan en Anna Hidding hebben in 1756 een erfenis nagelaten van f. 50.000,-. (betreffende alléén hun vaste goederen). Uit het register blijkt verder, dat hij een sjees huurde, zelf twee paarden had en er een meid (Anna) en een knecht (Hendrik) op na hield. Hij gebruikte behalve de kelder van zijn eigen huis, ook nog drie andere kelders in Amsterdam, die hij huurde (o.a. van Theyler en juffrouw Tongeren, Johannes van Haren, Lambert Witsen), voor opslag van wijn vermoedelijk. Met wie deed Engelbert zoal zaken? Hij kocht wijnen o.a. van een zekere Montaban in Rotterdam en zijn neef Cornelis Linthorst (zoon van Harmannus). En aan wie deed hij deze wijn weer van de hand? Hij had in Drenthe zijn familie (broers, neven) tot klant en verder o.a. de Nijsinghs (o.a. Albertus te Beilen, Samuel te Paterswolde, gedeputeerde Ubbo Nijsingh, de familie Bloemberg in Meppel, etc. ) en de Kymmels. In Holland o.a. Ploos van Amstel, Christoffel Arends (geheimraad van zijne koninklijke majesteit van Groot Rusland). Ook in Friesland waren er klanten, zoals de heer van Plettenborg en een grietman heer van Buruma. Deze laatste was een slechte betaler want in 1727 stuurt Engelbert een zekere heer Nolet naar Friesland om betaling te eisen (met succes). Ook neef van Ghijbelant behoorde tot de min of meer vaste klanten. Het geschrift geeft verder aan, dat er tussen Vries en Amsterdam een goed contact bestond. Hij kocht en verzond op verzoek van de Drentse familie diverse keren thee, stoffen en huishoudelijke spullen naar Vries, en ging er van tijd op bezoek (kosten f 40,--). Aardig is, dat zo nu en dan familie op bezoek kwam, zoals zijn neef Jan ten Berge. Zijn nichten Gesina, respectievelijk dochters van broer Johannes en broer Lucas, kwamen voor langere tijd. Ze gingen op school evenals neef Harm, zoon van broer Lucas Homan. Ze werden onmiddellijk na aankomst door oom in nieuwe kleren gestoken. De dochter van broer Johannes (door Engelbert steeds aangeduid als “broeder Ette”) kwam in 1724 bij hem en direct togen de kleermaker en de “nayvrouw” aan 't werk. Zij ontving onderwijs van meester Elling. Toen ze trouwde in 1736 met J.W. Tabingh te Assen kwam ze ,,met attestatie" van Amsterdam. Geenszins trouwde dus Jan Wijntiens Tabingh (die ter gelegenheid van zijn huwelijk f 1.000,-- leende van zijn aangetrouwde oom Engelbert) een ongeletterde boerendochter. Neen, ook haar “bruytskleet” was in Amsterdam gemaakt en door oom betaald, dus 't zal voor die tijd een moderne vrouw zijn geweest. In 1728 komt dochter Gesina van Lucas Homan bij haar oom, doch die gaat naar “het frans en duytsschool” van monsieur Sararne in Naarden, tegen f 150;- per jaar. Zij krijgt mee op 7 oktober van dat jaar o.a.: 6 hemden, sackdoeken, 6 mutsen slaep, 4 boom (boven)mutsen, 4 ondermutsen, 3 onderbroeken en “twie” jacken, later nog: “twie bonte voorschoten, 2 hoepringeties - goude, 2 platte goude ringen, een paar goude ringeties met een pareltien er an”, een snoer “krallen” en verder nog een menigte kleren. In 1731 kwam neef Harmen (zoon van Lucas voornoemd) in Amsterdam en ook hij kreeg kleren, o.a. 6 neusdoeken, 4 dassen, 7 hemden, een jas, 4 broeken. Hij ging in Loenen ( a d. Vecht) naar school. Het is mij niet duidelijk geworden, waarom broer en zus niet ergens in Amsterdam ter schole konden gaan. Naast deze familieleden zorgde hij er ook voor een zekere Wilhelmina Volckers uit Groningen, die in 1727 naar Amsterdam kwam. Zij was zuster van de “visschrijver” Volckers en ingenieur Volckers, havenmeester uit Groningen. Zij was in de leer bij mevrouw Broekhuysen, die in het register als “haer patroness” te boek staat. De gebroeders Volckers betaalden aan Engelberts broer “de Ette Homan” die één en ander weer met z'n broer verrekende, soms wel twee jaar later (betreft kostgeld, kledinggeld etc.). Twee keer is er sprake van familieleden die per schip vertrokken en dan voor dit vertrek bij Engelbert aankwamen, en zich in Amsterdam in de bullen staken. Engelbert schoot dit geld voor en ontving dit later terug van familie van de betrokkenen. Het gaat hierbij over neef Baving uit Groningen, die op 8 mei 1729 scheep ging naar Batavia op 't schip Meerlust met schipper Cornelis Oterlijck. Baving ging als adelborst. Hij kreeg o.a. mee: een kist, een kommetje en 2 lepels, een tinnen bekertje, 6 kammen en een schaar, 2 pakjes maagkruiden, 7 waslichten, 6 bonte doeken, een buffellederen broek, 7 elle stof voor kamizool, een hangmat en matras, drie rollen tabak, drie hoeden, allerlei kruiden, “franse zeepneuten”, lak, inkt, drie paar wollen kousen, 3 paar garen kousen, twee slaapmutsen, drie hoeden, naaigerei, een groene deken en kussen, een inktkoker, een koek zonder konfijt, een koek met konfijt, een pot met boter, 24 loot koffie, drie paar schoenen, twee gros pijpen, een paar handschoenen, een pruik, brandewijn en wijn, 12 ons rookvlees. Bovendien heeft Baving kennelijk zich een pak aangemeten, omdat er door Engelbert een kleermakersrekening is betaald van f 137,--. Baving is nooit in Batavia aangekomen. Hij overleed op 17 oktober 1729 op Kaap de Goede Hoop, zonder testament. (Baving was een zoon van Everhard Baving, “geswooren Taalman” te Groningen). In totaal kostte Bavingh's uitrusting f 212,--. Bovendien gaf Engelbert aan z'n neef nog f 3,- zakgeld mee en stelde hij de schipper nog f 5 -- ter hand voor “onderwijs op de Constapels kamer.” Engelbert schoot dit alles voor, kreeg later het geld van neef ”Nijsingh tot Beilen” terug. Veel later, in 1743 (de 12e maart) kwam neef Willem Altingh uit Eelde, die als adelborst ging varen op 't oorlogschip “Zeepaard” onder kapitein Willem Theodorus Huygens. Altingh is echter op 27 juni onderweg overleden en Homan beurde z'n nagelaten gage: f 139,--. Via Nijsingh werd dit aan “schout Alting”(kennelijk de vader) uitbetaald. De rest van dit boek bestaat grotendeels uit verrekeningen met familieleden en zakenconnecties. Soms ging hij naar Drenthe en kocht diverse keren uit nalatenschappen van z'n overleden familieleden nogal veel, voornamelijk linnen, gordijnen en meubelen. Het voert te ver om dit alles, hoe interessant ook, gespecificeerd hier weer te geven. Boven hebt u kunnen lezen dat bij de inboedel ook schilderijen behoorden. Ergens in het register staat een aankoop van “2 schilderstuckies" aangegeven en wel op 11 april 1727. Het betreft een landschap met beesten van een zekere Gijsbert Holt en een “drift met beesten” door Gerrit Berckheijde (deze laatste was een bekend schilder, die leefde van 1638 - 1698). Hij betaalde er f 27,- voor. Van een zekere Elias van Walschopel kocht hij verder nog “2 stuckies met bloemen en vrugten.” Of deze laatste schilder of handelaar was, heb ik niet kunnen vinden. Nu we het toch over z'n huisinrichting hebben, in 1714 kocht hij van Hendrik Doesburgh (een neef via de Linthorsten) een staand horloge, een stenen tafel met voet, een bijbel met koper, enige boeken (niet gespecificeerd), een oud bed, zes leren stoelen, 2 gordijnen en 2 vallen, een tang, bezem en schop en schilderijen (niet gespecificeerd, maar voor de schilderijen betaalde hij apart f 116.--) één en twintig stoelkussens en een notenhouten tafel en 4 stoelen. Hij hield (of zijn vrouw hield) dus van comfort. Op 20 februari 1728 werd Engelbert aangesteld tot “sergeant” bij de schutterijcompagnie van Kapitein Pieter Elias. Om met een algehele indruk te besluiten: Het boekje geeft een goed inzicht van een tamelijk sober levende, toch wel gezeten middenstander, die intensieve kontakten onderhield (hij reisde er ook zo nu en dan heen) met z'n Drentse en Groningse familie. Tevens waren er veelvuldige handels- en familiebezoeken met de familie Linthorst en andere verwanten in Den Haag en Kleef. (Een hypothese die oprijst is: Had Jan Linthorst z'n benoeming tot schulte van het verre Vries te danken aan de kontakten van van Gijbelant en broer Hendrik met de Haagse ambtenarenwereld? Niet ondenkbaar mijns inziens.) Vaak was Engelbert Homan de gastheer voor noordelijke familie. Hij zag er een beetje op toe, dat zijn nichtje en neef, die zover van huis op school zaten, op tijd aan hun financiële verplichtingen voldeden en kleren etc. kregen. Het was mij helaas niet mogelijk goed inzicht te krijgen in de jaarlijkse inkomsten en uitgaven, en wel omdat er geen jaaroverzicht in voorkomt. De aantekeningen zijn tamelijk onoverzichtelijk en vooral ongeordend opgenomen. Het geeft de indruk van een kladboek, gebruikt om later de echte boekhouding uit op te maken, te meer omdat er briefkonsepten en talloze losse aantekeningen in voorkomen. De aantekeningen van de bovengenoemde andere schrijvers zijn veel minder opvallend. Het zijn uitsluitend aantekeningen betreffende geboorte, huwelijk en sterfgevallen van de familie Homan en verwanten (o.a. Tabinghs, Linthorsten, Doesburgh, Van Gesseler, etc.). Dus voer voor genealogen.

 


Homan te Eext


Johan Homan (VIIIb) trouwt met Jantje Julsing, een erfdochter van de ette Barelt Julsing, en een kleindochter van een Lammigje Aling, een telg uit de latere schultenfamilie Aling van Gasselte. Hij wordt vervolgens boer te Eext op de boerderij van zijn schoonvader Barelt Julsing en wordt de stamvader van de familie Homan te Eext.

Kinderen van Johan Homan



De kinderen en kleinkinderen van Johan Homan vervolgen de trend om met erfdochters te trouwen. Dit is weergegeven in de volgende schema’s van elk van de kinderen van Johan Homan te Eext.

Nageslacht van Jan Homan




Jan Homan (IXb) trouwt met zijn volle nicht Hindrikje Julsing. Zijn kinderen, Barelt en Jeigje trouwen beiden met een respectievelijk een dochter en een zoon van Bernier Cluiving en Jantje Spolts, een aanzienlijke familie uit Eelde. Uit het huwelijk van Jeigje Homan met Otto Cluiving één dochter Jantje Cluiving die twee maal gehuwd is, de eerste maal met Lambert Huising, ette voor het Oostermoer, en de tweede keer met Jan Buiting, eveneens ette voor het Oostermoer.

Barelt Homan trouwt met Hilletje Cluiving. Uit dit huwelijk komen twee kinderen voort, Jan Homan en Jeigje Homan, die beide met een respectievelijke dochter en zoon van Lucas Homan (Xv) en Lammigje Homan uit Vries trouwen. Lammigje Homan is een volle nicht van Barelt Homan.

Ook hier dus weer het sluiten van een goed huwelijk, en het trouwen van broers en zusters uit het ene gezin met broers en zusters uit het andere gezin, die bovendien ook nog onderling verwant zijn. Het lijken allemaal geregisseerde huwelijken te zijn.

Waarschijnlijk mede door de goede huwelijken zien we ook de sociale status van deze tak toenemen. De stamvader van de Eexter tak komen we alleen als volle boer tegen. Zijn zoon Jan wordt ette voor het Oostermoer, evenals zijn grootvader Barelt Julsing. Tevens is hij schatbeurder. Zijn zoon Jan Homan wordt schulte van Anloo, Gieten en Zuidlaren.


Nageslacht van Frerik Homan



Frerik Homan (IXc) trouwt met Hindrikje Meijers, een dochter van Barelt Meijers uit Gieten. Barelt Meijers is een volle boer te Gieten. De dochter van Frerik Homan, Lammigje Homan, trouwt met Lucas Homan uit Vries, zijn zoon Jan Homan met Albertje Boelens, een zuster van Hindrikje Boelens, de vrouw van zijn neef Jan Homan. De kinderen van Lammigje Homan en Lucas Homan zijn hiervoor al besproken.

De kinderen van Jan Homan trouwen ook weer met gegoede families. Zo trouwt Hindrikje Homan met Roelof Hidding uit de vooraanstaande Hidding familie te Gasselte. Hindrik Homan trouwt met Jeigje Homan, dochter van Otto Homan en Jacobje Meijering. Zie hiervoor het volgende schema.


Nageslacht van Willem Homan




Willem Homan (IXc) trouwt met Grietje Ottens, een dochter van Hindrik Ottens en een Meijering dochter. Zij is de oudste dochter, en daarmee de erfdochter van Hindrik Ottens.

Jan Homan, de zoon van Willem Homan trouwt met zijn volle nicht Hindrikje Boelens dochter van Roelof Boelens, een volle boer uit Annen. Barelt, de tweede zoon van Willem Homan, trouwt met Jeigje Ottens, dochter van Otto Ottens en Elisabeth van Holle. Otto Ottens is een broer van Hindrik Ottens, en dus een oom van zijn moeder. Ook hier weer allemaal huwelijken in de familie.

De zoon van Jan Homan, Willem Homan trouw met Jacobje Jobing. Zijn neef Otto Homan, de zoon van Barelt Homan trouwt met Jacobje Meijering. Hun vrouwen zijn volle zijn nichten van elkaar.

We zien dus bij de Eexter tak van de Homan’s een waarschijnlijk zorgvuldig geregisseerde huwelijkspolitiek, waarbij de huwelijkspartners allen uit de betere families, dus “volle” boeren komen. Vaak zijn er huwelijken met familieleden, of huwelijken tussen broers en zusters uit het ene gezin met broers en zusters uit het andere gezin. Dit resulteerde in een sterke uitbreiding van het bezit van de familie Homan in Eext.

In het volgende diagram is de totale aanslag van de familie Homan in Eext gegeven. (Hierbij is in 1672 de aanslag gebruikt van de schoonvader van Johan Homan, Barelt Julsing gegeven, waar Johan Homan waarschijnlijk woonde). Alhoewel de aanslag in het haardstedenregister niet altijd bezit aangeeft, aangezien de bewoner van een boerderij aangeslagen werd, of hij nu eigenaar of pachter was, kunnen we er in dit geval van uitgaan dat de Homan’s ook daadwerkelijk de bezitters waren.

Er is een gestage groei te zien tot 1742 met een aanslag voor 16 paarden, ofwel een equivalent van 4 volle boeren. Daarna blijft de totale aanslag gelijk, of neemt af. Dit is terug te voeren op het geringe aantal mannelijke nakomelingen in de Eexter tak na de derde generatie, en het maximeren van de aanslag per persoon tot 4 paarden.




Homan te Peize


Nageslacht van Arent Homan




Arent Homan (VIIc) trekt van Yde naar Peize. De naam van zijn vrouw is niet bekend, maar hij is momber over de kinderen van Jan Lunsche, samen met Johan Landt, Jan Ebbinge en Johan Willinge. De families Lunsche, Landt, Ebbinge en Willinge waren belangrijke families rond Peize, het is dus aan te nemen dat Arent Homan gehuwd is met een dochter uit een van deze families, en vervolgens naar Peize is gegaan.

De zoon van Arent Homan, Reinder Homan (VIIIc), trouwt met Jantje Datema, een dochter van Jacob Datema en Barbertien Schuiringe. De Datema familie is een grote eigenerfde familie uit Sandebuur en Roderwolde.5 Hij is eerst landbouwer te Peize, zijn zoon Arent Reinders Homan vinden we als landbouwer te Roden, waaruit een omvangrijk nageslacht voortkomt. De andere kinderen van Reinder Homan trouwen in Groningen. Zijn zoon Jan Homan (IXf) heeft nageslacht in Usquert , Noordhorn en Uithuizen. Hun nakomelingen verspreiden zich daarna verder door Noord-Groningen. Van zijn zoon Jacob Homan is geen nageslacht bekend.

Een andere zoon van Arent Homan, Hendrik Homan (VIIId) gaat terug naar Yde. De derde zoon van Arent Homan, Sicke Homan trouwt met een dochter van Jan Sijgers en Grietje Leving, en trekt naar Noordlaren naar waarschijnlijk de boerderij van zijn schoonvader. Uit dit huwelijk zijn geen mannelijke nakomelingen.


1 Geschiedenis van Vries, dr. M.A.W. Gerding et al, ISBN 906509220X

2 Toegang 607 Archief Overcinge inv. no. 63

3 Spint Arwt’n 1978 pg. 16 door H.J. Dik

4 In zijn geheel overgenomen uit: Ons Waardeel 1985 pg. 104 door H.J. Dik

5 Nieuwe Drentse Volksalmanak, 1983 pg. 69